Treinen verdwalen niet
Winny Ang, Marijn Brouckaert en Eleni Debo
8+.-. Kinder-en jeugdpsychiater Winny Ang is ervan overtuigd dat boeken in therapie een krachtig medium kunnen zijn om een gesprek op gang te brengen. Als schrijfster is ze niet aan haar proefstuk toe. Zo schreef ze voor kleuters Woordenwolken (Studio Sesam 2019) over selectief mutismeen Kapitein Nemo (De Eenhoorn, 2020), een aanmoediging om je dromen te durven realiseren. Het filosofische Oneindig ver (De Eenhoorn 2023), bedoeld voor adolescenten, gaat over open staan voor onverwachte ontmoetingen.
Treinen verdwalen niet schreef Ang samen met de gelijkgestemde Marijn Brouckaert, die werkt rond het verbinden van groepen mensen door het samen lezen van boeken. Haar bijzondere aandacht voor cultuursensitieve zorg loopt als een rode draad doorheen dit boek. Vanuit verschillende plaatsen op de wereld volgen we vijf passagiers in een trein die naar het voorbijglijdende landschap kijken en hun gedachten de vrije loop laten. Zo is er bijvoorbeeld Hakima die naar het witte wasgoed tuurt dat overal hangt te drogen. Ze begint te fantaseren en plots mist ze Alÿs om haar gedachten en ideeën mee te delen. Taara kijkt naar een herder met zijn kudde schapen in een woestijnlandschap. De geur van de rozijnenrijst in de coupé brengt de herinnering naar boven aan haar beste vriendin Noor, zittend aan de keukentafel. Omdat ze geen rozijnen lustte, viste ze die uit haar kom en gaf ze onder de tafel stiekem aan Taara. Ang en Brouckaert houden het verhaal bij elke passagier bewust sober en sporen de lezer met veelbetekenende zinnen aan om het verder uit te werken. ‘Waarom moest Alÿs zo oneindig lang op vakantie gaan?’Dit zou kunnen wijzen op een overlijden maar evengoed op een terugkeer naar het geboorteland. Of is Alÿs is echt op vakantie en uit Noor gewoon haar ongeduld? Zo zijn er bij elke passagier uiteenlopende verhalen te verzinnen, maar een weemoedige ondertoon van gemis zal in elk verhaal voelbaar zijn.
In het tweede deel belandt een trein in een bizarre droomwereld. Hij zweeft, tussen twee tunnels, door een inktzwart heelal met ontelbare sterren. Dat is een fascinerende wending, maar tegelijkertijd voel je als lezer iets van desoriëntatie en stuurloosheid. De passagiers lijken hier elk spoor bijster te zijn. Via de duistere tunnel komt de trein in een lobbig, wit-roze wolkenlandschap, de tegenstelling kan haast niet groter zijn. Zijn laatste stop is een monumentaal, druk station tussen de wolken waar verschillende treinen tegelijkertijd halt houden. Ang en Brouckaert beschrijven deze magische gebeurtenissen in enkele mysterieuze, poëtische zinnen. “Heel soms gebeurt het dat een trein toch verdwaalt, dat onze gedachten ons onverwacht naar hetzelfde station brengen. Als dat gebeurt…vergeet dan niet uit te stappen.’ Opnieuw bieden de schrijvers volop ruimte voor individuele interpretaties van de lezer.
De dromerige illustraties van Eleni Debo, die twee keer de World Illustration Awards won, dragen het verhaal. Je kunt ernaar blijven kijken en het grote formaat van het boek laat ze nog beter tot hun recht komen. De illustraties van de passagiers die uit het raam kijken zijn dubbelbladige prenten waarbij Debo vooral ruimte wil geven aan de schoonheid van het landschap. Hiervoor gebruikt ze telkens een zorgvuldig geselecteerd kleurenpalet. Zo is het Afrikaanse landschap waar Hengky op uitkijkt ingekleurd in verbluffend veel beige en bruine tinten, waardoor de droogte haast voelbaar is. Nan, ergens in Scandinavië, ziet een mysterieuze hemel in verschillende schakeringen groen en paars, die aan het noorderlicht doen denken. Een ijskoude wind jaagt er minuscule sneeuwvlokjes doorheen. De binnenkant van de coupé, beperkt zichtbaar aan de randen van de illustratie, is telkens ingekleurd in sober beige en donker paars, wat de sfeer van huiselijke gezelligheid oproept. Bovendien wordt de lezer, net door de sobere inkleuring, gestimuleerd om nog beter te kijken naar de details in de trein, die een aanleiding zijn voor het verzinnen van nog veel meer verhalen.
Op meesterlijke wijze weet Debo het proces van fantaseren visueel vorm te geven. Prachtig is de illustratie waar Hakima, onder een tere roze ochtendhemel, naar een groep zwoegende wielrenners op de veldweg kijkt. Aan de horizon tekent zich een blauwgrijs dorpje rond een kerkje af. Sokken, onderbroeken, nachtkleedjes, handdoeken en lakens hangen te drogen aan de elektriciteitsdraden tussen de palen langs de weg, een grappig en tegelijkertijd onwerkelijk beeld. De kopgroep verdwijnt achter een enorm wit laken. Je knippert even met je ogen als er aan de andere kant van het laken geen wielrenner maar een ridder te paard vandaan komt, in een glimmend harnas en met een indrukwekkende lans.
Wie aandachtig naar de allerlaatste prent van dat enorme station kijkt, zal het gevoel krijgen dat het misschien nog kan goedkomen met de mensheid. Alle passagiers die de revue passeerden, zijn hier uitgestapt, met hun stroom aan vrije associaties. Samen met de andere reizigers kijken ze hun ogen uit op het station. Deze illustratie is net een zoekprent, waarop je steeds weer nieuwe details zult ontdekken. Zo hebben Hakima en Taara elkaar gevonden en ze zitten samen op het paard van een ridder tevreden te praten. Die ridder hangt ondertussen de witte was op aan een draad tussen de steunbogen van het station. Een zusje van Hengky speelt met de enorme witte hond van Nan en een wielrenner staat te kijken naar de herder uit de woestijn met zijn kudde schapen. Alle mensen met al hun ideeën krijgen de ruimte om er te zijn en te ervaren hoe helend het kan zijn om elkaar te te ontmoeten. Zo ziet zich thuis voelen eruit.
(Een geredigeerde versie van dit artikel verscheen op Mappalibri.be)
