Julia en de haai
Kiran Millwood Hargrave, Tom de Freston
10+.-.Julia, bijna elf, blikt terug op haar zomer op Unst, het meest noordelijke eiland van de Shetlandeilanden. Haar vader Dan moet er een oude vuurtoren programmeren zodat die automatisch zijn werk doet. Haar moeder Maura, een mariene bioloog, beslist om van die gelegenheid gebruik te maken om er op zoek te gaan naar de Groenlandse haai en dit vanuit een enorm onderliggend verdriet. Maura’s moeder, oma Julia, overleed elf jaar eerder aan jongdementie. ‘Het was net een brand, de dementie. Het vuur verslond haar te snel.’ Wetenschappers veronderstellen dat Groenlandse haaien zo langzaam bewegen dat ze de tijd kunnen vertragen, ze kunnen immers vierhonderd jaar worden. Julia’s moeder wil hun celmateriaal onderzoeken om na te gaan of een dergelijke vertraging ook realiseerbaar is voor mensen.
Al bij het begin van het verhaal voel je als lezer dat er iets met Maura aan de hand is. Julia heeft het immers over het getal op haar ziekenhuisbandje. Op het eerste zicht lijkt ze gewoon een overenthousiaste mama, die zich totaal niet druk maakt over wat anderen van haar denken. Zo is het bijvoorbeeld geen evidente keuze om een gele trui te combineren met een gele regenbroek en een gele regenjas bij een eerste kennismaking met de dorpsbewoners. Maar Julia’s onderdrukte schaamte over deze ‘wandelende banaan’ doet al één en ander vermoeden. Kiran Millwood Hargrave verstaat de kunst om Maura’s manische episode van de bipolaire stoornis heel geleidelijk aan te wakkeren, als een duistere, naderende storm die diep onder je huid kruipt. Omdat ze nog geen onderzoeksbeurs toegekend kreeg, huurt Julia’s mama de eerste twee weken een boot met kapitein van een ‘startkapitaal’. Haar vruchteloze pogingen om de haai te vinden worden steeds koortsachtiger en tegelijkertijd is ze minder voor rede vatbaar. Na twee weken koopt ze met eigen middelen een scheepswrak en ze verwacht dat Dan en Julia het helpen oplappen om haar zoektocht op zee alleen te kunnen verder zetten. Na de zoveelste afwijzing van een beursaanvraag, volgt die onafwendbare weerbots die elke oplettende lezer al verschillende bladzijden voelde dreigen. Maura neemt een overdosis medicatie.

Tom de Freston, Hargraves partner, voelt dit verhaal feilloos aan. Zijn illustraties in wazige grijze en zwarte tinten met fluogele accenten zweven mee tussen ontrustwekkende, ongedifferentieerde chaos en kleine, gezonde stukjes van mama’s persoonlijkheid die af en toe komen bovendrijven. Zo straalt de nachtmerrieachtige tekening waarop de enorme pokdalige haai zich van op de plankenvloer in Julia’s kamer opricht en haar bed doet kantelen, enorm veel onrust uit. Ook de kamer zelf is scheefgezakt. Julia, die in haar gele pyjama op het bed zit, klemt zich vast aan het voeteinde en kijkt behoedzaam naar het onheilspellende zwart achter haar half openstaande kamerdeur.
Opvallend is hoe genuanceerd Kiran Millwood Hargrave de persoonlijkheden van papa en Julia uitwerkt. Ze belicht zo mooi de uiteenlopende facetten ervan, dat ze haast mensen van vlees en bloed worden. Je kan niet anders dan ze in je hart sluiten.
Papa is een pater familias met een hart van koekebrood die alles doet om zijn gezin rechtop te houden. Hij probeert mama met beide voeten op de grond te houden door haar er bijvoorbeeld aan te herinneren dat ze haar medicijnen moet slikken en haar voor te houden dat hun spaargeld niet onuitputtelijk is. Tegelijkertijd blijft hij respect hebben voor zijn vrouw als wetenschapper, helpt hij haar het scheepswrak zeewaardig te maken, en heeft hij een onverwoestbaar geloof in een uiteindelijk goede afloop. Op gespannen momenten zien we hem op zijn eigen manier bemiddelen tussen moeder en dochter. ‘Mam, Julia heeft een knuffel nodig.’
De symbiotische relatie tussen Julia en haar moeder krijgt mooi vorm in Julia’s klein, geel opschrijfboekje, niet toevallig dezelfde kleur als mama’s regenjas. Hierin noteert ze alle bijzondere dingen die mama over de zee vertelt. Zo dwingt ze zichzelf om precies dezelfde interesses te hebben als haar moeder en een permanent onwankelbaar vertrouwen in haar te tonen. Soms horen we haar schuldgevoelens opspelen of duiken er flarden van vroege herinneringen aan een eerdere manische episode op. Daarnaast is het mooi om te ervaren hoe Julia toch ook een gewone typisch elfjarige is die worstelt met het aanknopen van vriendschappen. Thuis in Cornwall vindt ze niet meteen aansluiting, ze houdt niet zo van dansen en Youtubers, maar op Unst voelt Julia wel meteen een klik met de sterrenliefhebber Kin. Omdat hij gepest wordt op school omwille van zijn Indische roots, durft de schuchtere Kin niet meteen uit zijn schulp komen. Het is vertederend en tegelijk diepmenselijk hoe Julia en Kin bijna een heel verhaal lang onzeker om elkaar heen draaien, voor ze elkaar echt vinden en durven vertrouwen.
Na mama’s zelfdodingspoging volgen ongeloofwaardige gebeurtenissen elkaar in snel tempo op en passen nét iets te vlot in elkaar. Een beetje jammer na zo’n mooie genuanceerde opbouw. Julia gaat met mama’s boot alleen op zoek naar de haai. Ze komt in een zware storm terecht en wordt door de haai van de verdrinkingsdood gered. En precies op dat moment wordt ze opgepikt door de kapitein die mama eerder onder de arm nam.
Maar de blik op Julia’s persoonlijke groei aan het einde maakt veel goed. Terwijl mama in het ziekenhuis herstelt, beseft Julia immers heel goed dat ze voor de uitdaging staat om een eigen persoonlijkheid te ontwikkelen. ‘Ik was klaar om zelf iets te gaan vinden. Iets van mij. Iets nieuws.’ Prachtig is de scène waar Julia uitgerekend van Kin een nieuw opschrijfboekje krijgt. Een sprankelend symbool voor een nieuw begin want ‘Het was marineblauw, met een gouden J erop.’

(Een geredigeerde versie van mijn recensie verscheen op Mappalibri.be)
